‘Ik ben Imre Vos. Ik ben 26, studeer bouwkunde en heb een eigen bedrijf als technisch tekenaar. Ik woon in Amsterdam met mijn partner, en ben ook met enige regelmaat te vinden bij mijn vader in Vinkeveen. Waar mijn moeder woont, weet ik niet. Als ik met haar afspreek, drinken we koffie buiten de deur.
Mijn jeugd was gecompliceerd. Toen ik vijf was, gingen mijn ouders uit elkaar. Mijn moeder nam me mee naar een Blijf van mijn Lijf-huis, en dat was het begin van een lange periode van onzekerheid en veel verhuizingen. Er waren altijd geldproblemen en ik werd veel gepest op de scholen waar ik heen ging.
Toen ik 11 was, overleed mijn broer. Hij was 14 jaar en ongeneeslijk ziek. Niet lang daarna werd mijn moeder weer uit huis gezet. Dat was het moment waarop ik besloot om opnieuw alles achter te laten en bij mijn vader te gaan wonen. Wéér een ander huis, andere stad, andere school. Ik verbrak het contact met mijn moeder, en heb haar zo’n zes jaar niet gesproken. Ik wilde met een schone lei beginnen. Dus speelde ik een personage. Iemand die ik nog niet was, maar waarvan ik wist dat ik het wel kon worden. Ik liet niet over me heen lopen, had een grote waffel, en sloeg mezelf erdoorheen. Dat heeft me geholpen om op te krabbelen.’
‘Een aantal jaar geleden dacht ik: als je de middelen hebt om iets te kunnen doen voor iemand anders, wanneer je zelf ook in die positie hebt gezeten, waarom zou je daar dan niks mee doen? Ik wilde graag iets betekenen voor de maatschappij. Op het internet kwam ik FNO en het Gezinspanel tegen, en daar voelde ik meteen een verbondenheid mee.
Het Gezinspanel zit vol mensen die te maken hebben gehad met systeemfouten. Wij leveren een perspectief waar anderen niet bij kunnen, simpelweg omdat ze het niet hebben meegemaakt. En dat is enorm belangrijk. Ik denk dat beleidsmakers bepaalde situaties wel snappen of begrijpen, maar nooit écht kunnen voelen hoe het is.
Als degenen met negatieve ervaringen rondom een onderwerp niet aanwezig zijn bij de gesprekken over dat onderwerp, verandert er niks. Het is een kwestie van ruimte maken voor dialoog. Daarin valt nog veel te halen.’